
Jan van Scorel: de
Nederlandse Leonardo da Vinci
De homo universalis kennen
we vooral uit de Italiaanse Renaissance. Leonardo da Vinci belichaamt
dit ideaal van de veelzijdige alleskunner die op hoog niveau
presteert als kunstenaar, als man van de wereld én als
wetenschapper. Hebben wij ook zo iemand? Misschien wel de
kunstschilder Jan van Scorel. Het Nationaal Archief noemt hem in de
expositie Het Geheugenpaleis ‘de Leonardo da Vinci van het
Noorden’. Dit is vooral gebaseerd op Scorels aandeel in de
drooglegging van de Zijpe in Noord-Holland.
Kunstenaars uit de
Renaissance waren vaak van meerdere markten thuis. Aan vorstelijke
hoven kregen ze opdrachten voor schilderijen of beeldhouwwerken, maar
werden ook belast met het organiseren van feesten en het ontwerpen
van livreien. Jan van Scorel bijvoorbeeld was een van de bekendste
Noord-Nederlandse schilders uit de 16de eeuw. Hij verzorgde in 1549
bij de intocht van kroonprins Filips in Utrecht de triomfpoorten en
andere praal. De vormgeving daarvan vereiste de nodige geleerdheid.
Jan van Scorel geldt inderdaad als een ontwikkeld man. Hij was
bevriend met humanistische geleerden en was zelf de auteur van
verschillende toneelstukken, die verloren zijn gegaan.
Sommige
Renaissancekunstenaars waren ook thuis in vakken als mechanica en
wiskunde. Albrecht Dürer schreef over meetkunde en Leonardo da Vinci
hield zich bezig met zo’n beetje alles, van vestingbouw tot
anatomie. Er zijn enkele aanwijzingen dat ook Jan van Scorel als
uitvinder en ingenieur werkte. Zijn levensbeschrijvers maken melding
van het ontwerpen van havens en het uitbaggeren van kanalen. Ook
kreeg hij octrooi op een nieuw soort cement. Helaas is hier net als
bij zijn toneelstukken de documentatie uitermate gebrekkig. Er is
alleen wat meer informatie beschikbaar over zijn aandeel in de
bedijking van de Zijpe, ten noorden van Alkmaar.
Twaalf leden van de Jeruzalembroederschap te Haarlem, omstreeks 1528. De derde man van rechts is Jan van Scorel zelf, zoals blijkt uit het onderstaande vers
Priesterzoon wordt
schilder
Jan van Scorel (1495-1562)
is een van de belangrijkste Renaissanceschilders uit de Noordelijke
Nederlanden. Hij werd geboren in Schoorl als (uiteraard onwettige)
zoon van een priester. Hij bezocht enkele jaren de Latijnse school en
volgde daarna een opleiding tot schilder. Van 1518 tot 1523 ondernam
hij een buitenlandse reis, waarop hij onder meer Jeruzalem bezocht en
langere tijd in Rome en Venetië verbleef. Terug in Nederland
vestigde hij zich in Utrecht, waar hij kanunnik werd en een
atelier opende. Uit deze
periode stamt zijn belangrijkste werk, vooral altaarstukken en
portretten. De grootste collectie werken van zijn hand bevindt zich
tegenwoordig in het Centraal Museum Utrecht.
Octrooi van Karel v
De Zijpe was een inham
met slikken en schorren die alleen bij hoogwater onder water liep.
Voor de drooglegging was geen bemaling nodig. Men hoefde slechts een
dijk om het gebied aan te leggen, voorzien van sluizen. Daarmee werd
het hoge water buiten gehouden en bij laagwater viel het gebied door
de geopende sluizen vanzelf droog. Technisch gezien was de indijking
van de Zijpe dus geen huzarenstuk. Natuurlijk kwam er van alles bij
kijken, van de bouw van sluizen tot de aanleg van afwateringskanalen.
Maar dit gold als bestaande vakkennis. Met indijkingen en
droogleggingen was inmiddels de nodige ervaring opgedaan, ook in
Holland. Al in de jaren 1530 was het Achtermeer bij Alkmaar
drooggelegd.
Wat de indijking van de
Zijpe bijzonder maakte, was vooral de schaal van het project: 65
vierkante kilometer. De Zijpe was groter dan alle andere 16de-eeuwse
droogleggingen ten noorden van Het IJ bij elkaar. Dit schiep speciale
problemen, van technische maar vooral ook van organisatorische en
financiële aard. Jan van Scorel was vooral als organisator bij dit
project betrokken, zijn technische vaardigheden kwamen hooguit
incidenteel van pas. Zo tekende hij een kaart van de Zijpe. Zijn rol
was niet die van ingenieur, maar van ondernemer. Het octrooi op
indijking van de Zijpe kreeg hij van keizer Karel v, nadat eerdere
octrooien aan de graaf van Egmond en de heer van Zevenbergen tot
niets hadden geleid. Zo’n octrooi gaf men niet aan een
handwerksman, maar aan iemand van hoge maatschappelijke status, en
dat was Scorel. In 1528 was hij benoemd tot kanunnik van het kapittel
van Sinte Marie te Utrecht. Hij moest daarvoor onder meer
landgoederen beheren en wijn inkopen.
Het octrooi hield in dat
Scorel de Zijpe op eigen kosten zou mogen indijken en zich dan
eigenaar mocht noemen van het nieuw gewonnen land. De overheid stak
er geen geld in, ze eiste zelfs een deel van het nieuwe land op.
Hooguit wilde ze gunstige voorwaarden bieden. De droogmaking vereiste
een gigantische investering terwijl het jaren kon duren voordat het
land iets opbracht.
Kritiek
Voor de technische kant
haalde Scorel in de zomer van 1553 de Brabander Andries Vierlingh
naar de Zijpe. Vierlingh was rentmeester van Steenbergen in dienst
van de prins van Oranje en dijkgraaf van de Graaf-Hendrikspolder
aldaar. Hij bezat veel ervaring op waterstaatsgebied, onder meer
opgedaan bij landaanwinningen langs het Volkerak. Vanwege zijn grote
reputatie op dit gebied werd hij van veel kanten om advies gevraagd.
In een geschrift dat hij aan het einde van zijn leven opstelde doet
hij van zijn activiteiten verslag. Hierin vertelt hij ook dat hij in
opdracht van Scorel enige tijd toezicht hield op de indijking van de
Zijpe. Na zes weken echter kreeg hij bericht dat een storm grote
schade had gedaan aan de dijken bij Steenbergen. Hij moest naar
Brabant terugkeren. Het is niet bekend wie hem opvolgde.
Vierlingh staat in zijn
verslag zeer kritisch tegenover het Zijpe-project, ‘een vremde
extraordinaris dijckagie’, zoals hij het noemde. Hij werd er pas
bij gehaald toen het werk al ruim een jaar aan de gang was, anders
had hij het naar zijn zeggen beslist afgeraden. Vierlinghs kritiek
betreft niet de waterbouwkundige kant, maar is vooral economisch:
Scorel en consorten hebben
veel geld en moeite
besteed aan het indijken van een stuk land dat grotendeels uit zand
bestaat. Als landbouwgrond levert dat niets op. Voorzichtig bracht
Vierlingh zijn bedenkingen naar voren: ‘Ick moeste nochtans van den
voormelten Schoorle het uuijterste finael weten, waertoe sij de
dijckagie volbracht hadden, wat prouffijt zij metten sande maecken
wilden.’
Scorel toonde zich echter
niet onder de indruk: ‘Hij antwoorde mij dat hij des getroost was
[dat hij zich daarover geen zorgen maakte] ende dat ick anders
nergens toe ontboden en was dan (om)
ordenne in de dijckagie
te stellene ende te providerenne de aenstaende perijckelen
[maatregelen tegen te verwachten problemen te treffen].’ Nu gaf
Vierlingh graag kritiek. Zijn oordeel
schreef hij neer op zijn
oude dag, terugblikkend op zijn carrière. Hoewel zijn deskundigheid
buiten kijf staat, komt Vierlingh hier een beetje over als een oude
mopperaar die het altijd
beter weet dan ieder
ander. Maar een beetje gelijk had hij toch wel. De financiering liep
niet van een leien dakje.
Oude land moet meebetalen
De financiering rond
krijgen was Scorels eerste en zeker niet geringste taak geweest. Hij
werkte daartoe samen met twee aanzienlijke mannen uit zijn
kennissenkring: de hoge ambtenaar Nicolaas Nicolai, secretaris van de
Raad van State, griffier van de Orde van het Gulden Vlies en
ontvangergeneraal van de beden (belastingen) in Brabant, en diens
zwager Gillame Moys Petersz. van Antwerpen. Zij verkochten aandelen
in het project, die recht gaven op een zeker deel van de te winnen
grond.
De droogmaking vereiste
een gigantische investering
Een belangrijk deel van de
financiering werd gezocht in de voordelen voor de kustverdediging.
Een berijmde kroniek uit die tijd zegt dat de indijking geschiedde
‘Tot gemeen profijt, sonder ander glorie’. Dit moeten we
uiteraard met een korreltje zout nemen, maar helemaal uit de lucht
gegrepen is het niet. Al liep de Zijpe alleen bij hoogwater onder,
bij noordwesterstorm vormde deze inham een serieuze bedreiging voor
het omliggende land. De verschillende gebieden in Noord-Holland waren
veel geld kwijt aan het onderhoud van de dijken rond de Zijpe.
Wanneer de Zijpe eenmaal zou zijn ingepolderd, vervielen die kosten.
De dorpen en waterschappen hadden dus direct voordeel van de
drooglegging.
Scorel en zijn compagnons
vonden het daarom niet onredelijk dat de oude landen aan de dijk
meebetaalden. In het octrooi werd vastgelegd dat zij de zogenoemde
dijkvelling verschuldigd waren. Om te voorkomen dat de bedijker eerst
het geld inde en vervolgens niets meer van zich liet horen, zou dit
recht gelden vanaf het moment dat de dijk voltooid was.
Het lijkt erop dat de
verkoop van aandelen tegenviel. In de bronnen is de grens tussen
informatie en roddel nogal vaag, maar de Zijpe gold vanwege de
slechte grond duidelijk niet als een aantrekkelijke investering. Dit
betekende dat de financiering grotendeels van de dijkvelling
afhankelijk was. De inning daarvan stuitte echter op grote problemen.
Toen de dijk in het najaar van 1553 klaar was en het Hof van Holland
de hoogte van de bijdrage had vastgesteld, weigerden de meeste dorpen
te betalen. Sommige stelden dat de dijk nog geen hoogte van zeeweer
had. Dat er, met andere woorden, haastwerk, om niet te zeggen
broddelwerk was geleverd. Andere meenden dat de dijk zich eerst maar
eens een paar jaar moest bewijzen.
In hoeverre de bezwaren
(on)gerechtvaardigd waren, valt achteraf niet te achterhalen.
Duidelijk is in elk geval dat het roemruchte Nederlandse poldermodel
niet alleen samenwerking, maar ook
veel onenigheid
betekende.
Overstromingsrampen zoals
deze op SintElisabethsdag in 1421 wilde Scorel helpen voorkomen in
zijn geboortestreek. Dit past in het Renaissance– ideaal van de
kunstenaar die zich van ambachtsman opwerkt tot een hogere status:
die van weldoener en uitvoerder van maatschappelijke projecten.
Rijksmuseum Amsterdam, detail.
Overstromingsrampen zoals
deze op SintElisabethsdag in 1421 wilde Scorel helpen voorkomen in
zijn geboortestreek. Dit past in het Renaissance–ideaal van de
kunstenaar die zich van ambachtsman opwerkt tot een hogere status:
die van weldoener en uitvoerder van maatschappelijke projecten.
Rijksmuseum Amsterdam, detail.
Weldoener voor
geboortestreek
Een onverdeeld succes was
het Zijpeproject dus niet. Was Scorel een slechte zakenman? Niet
persé. Als kanunnik had hij de nodige ervaring opgedaan. Het kan
goed zijn dat hij erin stapte om
andere motieven dan
geldelijk gewin. Hij kwam zelf uit de buurt – uit Schoorl, zoals
zijn naam al zegt – en moet met de overstromingsproblemen bekend
zijn geweest. Het lijkt niet uitgesloten
dat hij, nu hij geslaagd
was in het leven, als weldoener iets wilde doen voor zijn
geboortestreek. Dit past in een ander Renaissance-ideaal: de
kunstenaar die zich van ambachtsman opwerkt tot een hogere
maatschappelijke status. Hij was niet meer de simpele uitvoerder van
andermans wensen, maar voelde zich geroepen zelf leiding te geven aan
belangrijke projecten.
Jan van Scorel hield het
Zijpe-project snel voor gezien. De problemen waarmee de voltooiing
van de polder gepaard ging, vereisten een langere financiële adem
dan hij bezat. Hij liet zich in 1554 door zijn compagnons uitkopen.
Rienk Vermij is
hoofddocent bij de afdeling wetenschapsgeschiedenis van de
universiteit van Oklahoma. Hij publiceerde onder andere bij
Uitgeverij Nieuwezijds Kleine geschiedenis van de wetenschap (2005)
en De geest uit de fles. De Verlichting en het verval van de
confessionele samenleving (2014). Dit artikel verscheen eerder in
Geschiedenis Magazine.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten